Ik heb gisteren iets belangrijks vergeten te vermelden. Om
ongeveer kwart voor twee ontving ik een appje van Marleen dat ze zaten te eten
op het plein met de welluidende naam “Piazza Di Santa Maria Novella”. Het klonk
als een uitnodiging “kom ook even”. Ik was op dat moment op het “Plazza Della
Signora”. Gelukkig had ik een plattegrond, maar het viel toch niet mee om daar
te geraken.
Maar het is gelukt. Marleen zat daar met haar schilderdames pizza’s
te eten en ik ben aangeschoven en heb me beperkt tot een glas koude droge witte
wijn. Het gesprek kwam o.a. op de mensen die daar papierprikken of die achter
een loket op een klein treinstationnetje zitten en kaartjes verkopen terwijl er
ook een kaartjesmachine staat. Dat is eigenlijk werkverschaffing. De
werkeloosheid in Italiƫ is erg hoog, zeker onder jongeren. Het onderwerp
baanzekerheid is dus een beladen onderwerp en niet iets om over te lachen.
Eergisteren vroeg ik Mario of hij wist welk vlindertje ik
gefotografeerd had. Dit is het antwoord van Mario:
"phegeavlinder, (amata phegea), voor- en achtervleugel zwartblauw met witte vlekken. Achterlijf met 2 gele banden. Het is een dagactieve nachtvlinder".
Bedankt Mario. Wat een prachtig woord eigenlijk dagactieve nachtvlinder. Zouden er ook dagactieve nachtvlinders zijn?
Vandaag, een erg warme dag dus rustig aan, wilde een
Belgische buurman met een enorme camper die eigenlijk niet op het campingplekje
paste, vertrekken.
Het was zo’n krankzinnig grote camper, een monster
eigenlijk, waarbij onze caravan verbleekt tot zo’n eitje waarmee men kort na de
tweede wereldoorlog ging camperen en die
je nu alleen nog ziet als curiositeit, als publiekstrekker op een camping of
caravanbeurs.
De plaatsen op het terras waar we staan zijn aan de voorzijde
begrensd door de terrasafgrond, aan de achterzijde door de muur van het hoger liggende
terras en aan de beide zijkanten door struikjes met een volgende caravan of
camper. Te veel naar voren betekent over de rand gaan, te veel naar achteren
betekent tegen de muur.
Ik was aan het lezen in De Greppel en ik was aangekomen bij
pagina 297 (van de 318), waar de hoofdpersoon vreest dat hij zijn echtgenote
nooit meer zal terugzien. Ik ben hier gestopt om de spanning op te voeren voor morgen
als ik het boek waarschijnlijk zal uitlezen.
Ik zag dat de Belg het niet ging lukken om zonder hulp zijn
voertuig schadevrij van zijn plaats te manoeuvreren. Het zou een kwestie worden van heel vaak
stukje vooruit en naar links draaien, dan weer stukje achteruit naar rechts
enz. Ik ben gaan helpen met aanwijzingen geven, natuurlijk goede. Ik zou niet
graag schade aan zijn mooie touringcarachtige camper op mijn geweten willen
hebben. Elkaar helpen op de camping is heel belangrijk. Wij zijn ten slotte ook
al 3x geholpen tijdens deze vakantie:
- In Limburg toen onze luifel op het dak was gewaaid;
- In Oberndorf waar een buurman onze kapotte luiflelpoot heeft gerepareerd;
- In Italiƫ waar een dame op leeftijd met gevaar voor eigen leven de snelweg op rennend Marleen de weg heeft gewezen;
Nu was het dus mijn beurt. Ik vind anderen helpen dus heel
belangrijk, maar er zijn wel grenzen. Soms kan de noodzakelijke hulp een grens
overgaan en zou ik me dus 2x bedenken alvorens die hulp te geven. De helpende
hand die in het volgende filmpje gegeven wordt, zou ik wellicht weigeren.
Het was vandaag bloedheet, eigenlijk te heet om iets te
doen. Ik ben diverse keren naar het zwembad gegaan om af te koelen. Maar het
water is 26 graden, dus de afkoeling is maar beperkt. Inmiddels ben ik al zo bruin dat ik mogelijk
niet meer herkend zal worden in Wouwse Plantage en ik mijn paspoort zal moeten
gebruiken om toegelaten te worden. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard,
dat is met bruin worden precies zo. Dus misschien dat de terugreis al een
voldoende verblekend effect zal hebben.
Ik heb nog wel een hagedis op de foto gezet. Die zijn er hier
heel veel, maar ze zijn niet erg fotogeniek. Meestal rennen ze te hard om ze
vast te leggen en hebben ze tussen het dorre gras een schutkleur. Maar dit
exemplaar heb ik gehypnotiseerd waardoor hij een aantal seconden stil bleef
zitten.
Verder ben ik blij dat het bijna zaterdag is en dat ik
Marleen kan gaan ophalen. Ik begin langzamerhand tegen mezelf te praten of ik
geef een schop tegen de skottelbraai als het eten in de pan niet wil zoals ik
het wil. Kortom, ik heb behoefte aan prettig gezelschap.
Ik heb wel heel aardige
Engelse buren. Die man zwemt gelukkig ook met een pet op zodat ik niet de enige
ben die als dorpsgek beken wordt. Ik ga zwemmen als hij ook het water in gaat,
twee petten in het bad, dat verdeelt de aandacht.
Van de week stonden mijn Engelse buren en ik bij de bushalte
te wachten op de bus. We stonden gezellig met elkaar te keuvelen. Er kwam een
Nederlands echtpaar aan, ook voor de bus. De man begon zich te mengen in het
gesprek en vroeg na verloop van tijd aan mij in het Engels waar in Engeland ik
woonde. Ik antwoordde “Wouwse Plantage”. Hij knipperde een paar keer met zijn
ogen, ik zag hem denken “Wouwse Plantage in Engeland”?. Toen viel het kwartje,
duurde wel lang overigens. De vraag is nu of dat iets zegt over mijn Engels of
over zijn Engels, of misschien wel over allebei.

